Op deze pagina 'dichter by myself' gedichten / gedichtjes die ik zelf ooit maakte. De meeste dateren van eind jaren '80, begin jaren '90.
Ze vertellen meer over mezelf, dan de tekst soms doet vermoeden.
'Dromen' , 'de laatste schoolbel' en 'het zijn de kleine dingen' werden bovendien op muziek gezet en gezongen door cabaretgroep 'Stof' waarvan ik toen deel uit maakte.
belgië
als ik ooit weer kiezen mag
wat ik later worden wil
misschien werd ik boven-wijzer
en verkoos om belg te zijn
de laatste schoolbel
’t is vrijdagavond, half vijf, de laatste schoolbel gaat
een lege gang, geen jassen meer, je hoort je voetstap gaan
alweer een week, weer niet bereikt, wat je bereiken wou
waar is de groep, die samen strijdt
voor dat waar men voor staat
dan droom ik weer van Griekenland
waar alles samenvloeit
waar land en zee, cultuur en mens
in vrede samen gaan
’t is vrijdagavond, half vijf, weer gaat die laatste bel
de school ging uit, maar maalt nog na,
mijn school ging nog niet uit
dan denk ik, ik droom nog van een ideaal
maar glijd steeds onderuit
dan droom ik weer van Griekenland
waar alles samenvloeit
waar land en zee, cultuur en mens
in vrede samen gaan
’t is vrijdagnacht, al dik drie uur, de zandman reed voorbij
en hoe ik woel en draai en keer, nog klinkt die laatste bel
een lange gang, aan ’t eind een deur
die maar niet dicht wil gaan
ik schop en sla, ik zweet en huil
en net voordat de wekker gaat
komt toch nog een diepe slaap
bier
een laatste woord
voor het slapen gaan
de dag is nu
al lang gedaan
nog even schrijven
hoe ’t was
nog even luisteren
een laatste plas
dromen
een goudvis in een vissenkom
die zwemt zich te verbijten
hoe anders zou mijn leven zijn
kon ik dit glas stuk bijten
ik zou bezwemmen elke plas
en sabbelend bubbels blazen
‘k kon doen en laten wat ik wou
geen mens nam mij te grazen
‘k zou zwemmen door de oceaan
de noordzee en de rijn
hoe heerlijk zou mijn leven zijn
als ik eens daar mocht zijn
de mens die naar de goudvis kijkt
zit in zichzelf te kniezen
och was ik toch die goudvis maar
dan hoefde ik niet te kiezen
m’n eten werd mij aangereikt
m’n water op tijd verschoond
geen noordzee-kwik of vuile rijn
die in mijn maaltijd woont
de kat die naar dat tweetal kijkt
ze kan dat al niet vatten
en voor men ’t in de gaten heeft
heeft ze goudvis in d’r jatten
de moraal van dit verhaal
kent meerdere facetten
’t is goed dat er ook katten zijn
die mij het dromen eens beletten
evenbeeld
mocht de mens geschapen zijn
naar ’t evenbeeld van god
dan moet de maker van dit al
een grote stumperd zijn
(och god!)
het zijn de kleine dingen
we schrijven vijfenveertig, een oorlog net voorbij
op een terras in melbourne, twee mannen zij aan zij
hun taal gebrekkig engels, hetgeen hen niet belet
te praten over het weer en het bier hen voorgezet
ze lachen, knikken schaat’ren en hebben volop lol
als op ’t terras geroepen wordt; ‘schenk alle glazen vol!’
als vijf minuten later de vraag komt: ‘waar vandaan?’
blijkt duits en nederlands de grond van hun bestaan
de een heeft dan een kaaskop en mist nog steeds zijn fiets
de ander is een rot-mof: ‘er wusste doch gar nichts!’
hoe het verder is verlopen, dat is u wel bekend
een klein verschil, een groot gevolg, je raakt er aan gewend
het zijn de kleine dingen die het doen, die het doen
het zijn de kleine dingen die het doen
we schrijven negenentachtig, we openen straks de grens
wat doen we met verschillen tussen de een en andere mens?
de belg wordt niet slimmer, dan dat u hem nu ziet
zijn band met de patatten verdwijnt zeer zeker niet
de duitser blijft een patser, correct, maar arrogant
‘deutschland über alles!’ vervuilt ook dan het strand
de spanjaard blijft een felle, de fransman drinkt zijn wijn
die griek met zijn twee vrouwen, als dat straks één moet zijn
amerika met ‘dynasty’, redders in de nood
russen, communisten blijven gevaarlijk rood
maar veel van die verschillen zitten ook hier bijeen
in ieder schuilt een engelsman, een turk of schot of deen
het zijn de kleine dingen die het doen, die het doen
het zijn de kleine dingen die het doen
subtieler zijn verschillen door een andere grens bepaald
wat dacht u van een geurtje, een geel of bruin gelaat?
zo draagt de één een bril en wordt tot brillenjood
en vuurtoren krijg je tot naam, je haar is immers rood
een vrouw die praat, dat is een ka, een leraar pedofiel
hoe zat ’t met de hersenen van hetero- of homofiel?
genaaldhakt, korte rokken, dan vraag je er toch om
wie dik is, is een vreetzak; wie heel veel vraagt is stom
we schrijven negenentachtig, we openen straks de grens
wat doen we met verschillen tussen d’een en andere mens
verschillen geven rijkdom, ’t verschil maakt de muziek.
verschillen geven klank en kleur, ’t verschil maakt ons uniek
