Mijn Praktijkschool Breda

Omdat ik vond dat ik op mijn vorige school na een fusie niet veel promotiekansen meer had, solliciteerde ik naar een andere school. Ik wilde na 25 jaar onderwijservaring kijken wat mijn kansen op de onderwijsmarkt waren.
Er bleken wel degelijk kansen te zijn. Na mijn sollicitatie op ‘De Overstap’, een school voor moeilijk lerende kinderen van 12 -18 jaar in Breda, was het meteen raak. Ik werd aangenomen en kon er per 1 april 1998 aan de slag als leerlingbegeleider en toekomstig adjunct. Ik wist niet goed waaraan ik begon, ik kende op mijn LTS wel leerlingen voor wie het niveau soms te moeilijk was, maar daar hield het bij op.
Al na drie maanden werd op mijn nieuwe school ook een nieuwe directeur aangesteld. Samen vormden we in mijn ogen een goed team om de toekomst tegemoet te treden.
Belangrijkste opdracht was wel de overgang van voortgezet speciaal onderwijs voor moeilijk lerende kinderen (vso-mlk) naar een school voor praktijkonderwijs (PrO), een erg misleidende naam omdat binnen het vmbo ook volop ruimte is voor praktijkonderwijs. 
Vanwege mijn vorig werk op LTS en LBO had ik wel enige kijk op hoe dat zou kunnen. Als vrijwilliger had ik ook de nodige ervaring opgedaan binnen het Avondwerk op de Bredase Levensschool.
Mijn eerste klus was een rooster en roosterstructuur maken voor het volgende schooljaar.
Op ‘De Overstap’ bestond geen lessentabel, was niet duidelijk hoe de taken voor het personeel waren verdeeld, bestond geen eenduidig lesrooster. De lessen voor leerlingen leken vooral toegespitst op de mogelijkheden en wensen van het personeel. Belangrijke lessen waren sociale vaardigheidstraining en stage. Werken aan zelfredzaamheid was essentieel.
Met de komst van een nieuwe onderwijsstructuur binnen het voortgezet onderwijs ontstond rond 2000 het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) en het praktijkonderwijs (PrO). Scholen voor voortgezet onderwijs, toen nog alleen vmbo en PrO, ontmoetten elkaar in een Regionaal Samenwerkingsverband (RSV). Deze nieuwe onderwijsstructuur maakte het gemakkelijker om intern veranderingen door te voeren en als scholen met elkaar te kunnen overleggen.
Zo maakten we een lessentabel, het onderwijs in de bovenbouw verdeelden we in vier sectoren: zorg en welzijn, techniek, dienstverlening en groen. De lestijd werd vastgesteld, alsook het aantal lessen per leerjaar en het aantal te geven lessen voor een fulltime docent. Dit alles op basis van gegevens en beschikbaarheid in vorige jaren.
Er kwam een groepsgrootte van gemiddeld 12 – 15 leerlingen, een zorgteam (met orthopedagoog, schoolmaatschappelijk werkende, jeugdarts, zorgcoördinator en leerplichtambtenaar), een logopediste en vakleerkrachten voor o.a. lichamelijke oefening en zelfredzaamheid van leerlingen.
Afhankelijk van de problematiek namen andere collega’s soms deel aan het overleg van het zorgteam.
Voor leerlingen in het praktijkonderwijs is het vmbo te moeilijk. Ze kunnen op grond van o.a. leerachterstanden en intelligentie toegelaten worden tot het praktijkonderwijs. Het gebeurde  regelmatig dat ouders moeilijk te overtuigen waren dat praktijkonderwijs de enige of beste optie was.
Het lesgeven werd in de loop der jaren niet eenvoudiger. De toenemende problematiek bij een aantal leerlingen en de ondermaatse huisvesting speelden daarbij een grote rol. De taak van een lesgevend docent schatte ik in als behoorlijk moeilijker en zwaarder dan mijn eigen taak.
Omstreeks 2000 werden we een onderwijskansenschool op basis van het gegeven dat we meer dan 50% allochtone leerlingen hadden. Voor dit traject werd veel geld beschikbaar gesteld om het onderwijs te verbeteren. Het enthousiasme bij sommige collega’s was zo groot dat al aankopen werden gedaan voordat het geld beschikbaar was.
De eerste jaren waren we onderdeel van INOS, Stichting Katholiek Onderwijs Breda, een bestuur met voornamelijk basisscholen en enkele scholen voor speciaal basisonderwijs. Als school voor leerlingen van 12 – 18 jaar vond ik dat wij een uitzondering waren in dat bestuur. De overgang naar een bestuur met scholen voor voortgezet onderwijs lag voor mij altijd meer voor de hand. Er werd gekozen voor het ROC als overkoepelend orgaan. Achteraf meende ik dat het beter was aan te sluiten bij Bredase scholen voor voortgezet onderwijs, zoals Tessenderlandt en Christoffel. Minder grootschalig, overzichtelijker, gelijkwaardiger wat betreft onderwijsvorm, meer herkenbaar wat betreft type leerling en minder onderdeel van een kolos als een ROC. Bovendien zou dat meer mogelijkheden bieden om onderwijs op maat te geven, waarbij de maat dan bepaald zou worden door mensen die een echte kijk hebben op ‘ons type leerlingen’.
Bij mijn entree telde de school nog geen 120 leerlingen, bij mijn vertrek waren dat er ongeveer 325.
Bij dit alles hoorde ook een andere schoolnaam. Voorheen was dat De Overstap, school voor moeilijk lerende kinderen. ’t Werd Praktijkschool Breda, school voor praktijkonderwijs.
Ik heb er 15 jaar met veel plezier gewerkt. Dit alles in de Baronielaan, in een gebouw waarvan iedereen vond dat het niet paste in deze tijd. Er werden verschillende plannen ontwikkeld, we zochten zelf naar mogelijk geschikte locaties. Kort na mijn afscheid verhuisde de school naar een nieuw, zeer goed geoutilleerd gebouw aan de Frankenthalerstraat.
Na 15 jaar eindelijk een betere plek voor onze leerlingen (en collega’s).
Bij mijn afscheid maakte ik voor het team het fotoboek ‘Kopstukken en andere lastige portretten’.

De foto’s hieronder komen uit dat boek.